Solidarisme.be

twitter 64x64rss 64x64facebook 64x64

Home

Sunday25 June 2017

Tuesday, 11 December 2012 20:18

De sociale en communautaire problematiek in Gent in het Fin-de-Siècle (1880-1914) [BITTERLEMON]

Written by 

 

De in 1885 gestichte Belgische Werkliedenpartij kende drie strekkingen: een groep leidende reformistische intellectuelen, een behoudsgezinde kern kleinburgerlijke ambachtslieden en de revolutionaire Gentse en Waalse arbeidersklasse. De laatste werd met argwaan bekeken door de beide andere delen der partij [1]. Rond de eeuwwisseling werd het begrip ‘Arm Vlaanderen’ een centraal element in de propaganda der Vlaamse socialisten. Toen startten zij immers een intensieve campagne om het Vlaamse platteland te bereiken, dat door de toevoeging van het rurale district Eeklo aan de kieskring Gent in 1900 onontbeerlijk geworden was voor hun doorbraak, maar waar enkel de Daensisten voet aan de grond hadden gekregen. Uiteraard speelden er vooroordelen mee over ‘het verachterd Vlaanderland’, maar ‘Arm Vlaanderen’ moest ook refereren aan het achterstellingsgevoel der plattelandsbevolking en de aandacht vestigen op het verwaarlozingsbeleid van de flaminganten die niets deden aan de sociale miserie. Al wie niet meestreed voor de schoolplicht, het algemeen stemrecht en de achturenwerkdag was ‘een vijand van het Vlaamsche volk’. Bovendien sloot ‘Arm Vlaanderen’ ook aan bij de lange Vlaamse Gemeinschaftstraditie der Gentse socialisten, die insinuaties over hun matige flamingantisme niet onbeantwoord lieten [2].

Na de mislukte algemene staking van april 1902 woedde een zware crisis in de partij en vooral in de vakbonden. De militanten kregen het gevoel dat de revolutionaire bezieling definitief voorbij was. Een doctrineloos opportunisme overheerste nu de Werkliedenpartij: de arbeiders raakten via de coöperatie ingeschakeld in de welvaartsmaatschappij en kregen een profiteursingesteldheid mee. Hoewel het coöperatieve socialisme niet van kritiek gespeend bleef, raakte de hele partij begeesterd door deze zakkenvullersmentaliteit, die de leden tot fortuinzoekers maakte. Dit was uiteraard niet de bedoeling van de Gentse socialistische leider Edward Anseele toen hij de coöperatie Vooruit oprichtte. Voor hem was dit een middel om het proletariaat politiek en sociaal te bevrijden en een nieuwe maatschappij op te bouwen. Hij wou de bezittende klasse bestrijden met gelijke wapens door het bundelen van de financiële kracht van de arbeiders. De Gentse Vooruit was de eerste socialistische coöperatie en fungeerde als model voor alle volgende. Het socialistische défaitisme en de bijhorende ‘kruideniersmentaliteit’ zouden in de daaropvolgende jaren zwaar op de korrel worden genomen door de marxistische linkerzijde in de partij (Huysmans, De Man, de Brouckère) [3]. In 1911 leverde Hendrik De Man (1885-1953) in zijn brochure ‘Die Arbeiterbewegung in Belgien’ felle kritiek op het socialistische coöperatisme. Juist in Gent lag dat heel gevoelig, omdat de partij daar in belangrijke mate steunde op de coöperatie Vooruit. Edward Anseele was er dan ook niet over te spreken [4]. Ook van flamingantische zijde kwam er protest: in 1912 schreef de Gentse katholieke flamingant Alfons Sevens een hekelschrift tegen de “Bende van Vooruit”, waarin hij Vooruit een klasse van parvenu’s en Anseele een (kapitalistische) bedrijfsleider van een grote firma Vooruit noemde. Tevens vroeg hij zich af of Vooruit niet beter een vakschool zou oprichten in plaats van bedrijven om zo het werkvolk te ontwikkelen en te bevrijden uit de barbaarsheid [5].

Vooruit werd in 1880 gesticht met een kapitaal van 2.000 frank van de vakbond der Broederlijke Wevers als een coöperatieve bakkerij en werd tegen 1900 een groot bedrijf met een industriële bakkerij, 7 kruidenierswinkels, 4 apotheken, een kolenbedrijf, een garen- en linnenhandel, een kleermakerij, een spaarbank en een maatschappij voor hulp aan behoeftigen, weduwen en zieken. Het betrof een soort ‘socialistisch kapitalisme’ waarbij de leden zich financieel verbonden aan de coöperatie en daardoor aanzienlijke leningen zonder interest aan Vooruit verstrekten in ruil voor een korting van 6% in de winkels van Vooruit en een interest van 4% bij de spaarbank. Gepensioneerden kregen tevens een jaarpensioen van 120 frank aan aankoopbons. De koffiehuizen en feest- en vergaderzalen van Vooruit waren echte ‘Volkshuizen’, waar het geloof in de socialistische droom van een rechtvaardigere wereld de mensen recht hield. Anseele hield hen voor: “Eerst brood en dan onderwijs”. De “Eerst brood”-oproep, samen met het verstrekken van directe materiële voordelen, sloeg aan bij hongerige en in krotten levende mensen, waardoor het socialisme in 1900 1 miljoen leden had. Tegen 1914 was vermoedelijk twee derden der stedelijke arbeiders voor het socialisme gewonnen [6].

Aan de feesten voor het 75ste bestaan van België in 1905 had de socialistische pers een zodanig vette kluif dat al het buitenlandse nieuws, zoals de Russische gebeurtenissen van januari 1905, er door in de verdrukking raakte. Vooruit propageerde het hele jaar een Groot-Nederlandse afwijzing van deze feesten vanwege onder meer het katholieke getwijfel over het wetsvoorstel-Coremans en de communautaire spanning in de Belgische Werkliedenpartij (bijvoorbeeld de Vlaamse wrevel over de Waalse coöperaties die hun financiële verplichtingen niet nakwamen tegenover de centrale partijorganen). Hiermee benaderde het Gentse socialisme de houding van de kleine minderheid flaminganten die zich ook afzijdig hield en al even negatief was over ‘1830’. Het middencomiteit verstrekte op 15 mei 1905 zelfs concrete voorschriften aan de partijleden: ze mochten hun huizen niet versieren, noch aanwezig zijn op patriottische manifestaties. Op 18 juni plakte de Socialistische Jonge Wacht in heel Gent een affiche aan tegen de viering van de 75-jarige ‘onafhankelijkheidsleugen’: “Wij feesten niet. Wij doen niet mede! Werklieden, doet het ook niet”. Sociaal was het een rumoerig jaar met mijnstakingen in de Borinage en een langdurige textielstaking in Gent. Politiek gezien deed de geplande uitbreiding van de Antwerpse haven stof opwaaien. In de periode 1899-1901 overheerste in Gent een rabiaat antiflamingantisme, maar dit veranderde na 1902. Hierdoor ontstond een mildere houding tegenover de vernederlandsing der Gentse universiteit. Steven Boersen kon bijvoorbeeld vanaf dan in de krant Vooruit ongeremd zijn flamingantische en Groot-Nederlandse stellingen verkondigen en ook de socialistisch-flamingantische studentenvereniging Ter Waarheid manifesteerde zich in die periode, terwijl de Socialistische Jonge Wacht zich evenzeer flamingantisch opstelde [7].

Nadat de oorspronkelijke lokalen van Vooruit in mei 1897 door brand getroffen waren, werd in september 1902 ‘Ons Huis’ ingehuldigd. Het was een modern, monumentaal gebouw aan de Vrijdagsmarkt, waarin lokalen voor vakverenigingen, een drankgelegenheid, een feestzaal, een bibliotheek, vergaderzalen e.d. waren voorzien. Een tweede gelijkaardig gebouw deed dienst als winkel en was het eerste grote warenhuis van Gent. Terzelfdertijd werd aan de Hoogpoort ook de Volksdrukkerij geopend in een 16de-eeuws patricïersgebouw. Na de gemeenteraadsverkiezingen van 1907 kwam te Gent een katholiek-socialistisch gemeentebestuur tot stand [8]. Het socialisme werd een nieuwe ‘Kerk’. De Volkshuizen heetten ‘tempels van het socialisme’ en de militanten waren ‘apostelen’ van een ‘geloof dat mirakels bracht’. Dit heroïsche socialisme was bezield door het enthousiasme van de ‘geloofswerverij’. Wie lid werd van deze ‘Kerk’, brak met de oude banden en trad toe tot een hoopgevende beweging van andere miskenden, die echter nagenoeg uitsluitend op het materiële was gericht en het religieuze weerde. De antireligiositeit van het socialisme was onvermijdelijk door het misbruik dat de katholieke Kerk van het christelijke geloof maakte om de liberaal-burgerlijke orde te ondersteunen. Hierdoor is de Kerk medeverantwoordelijk voor de omvorming van de gewone volksmensen tot welstellende, maar willoze massawezens [9].

Socialistische jongeren richtten in 1886 de Gentse afdeling van de Socialistische Jonge Wacht (SJW) op na het bloedige neerslaan van een arbeidersopstand, maar de organisatie wortelde vooral in het verzet tegen het lotingsysteem voor het Belgische leger en het antimilitarisme. Daarnaast getuigde de SJW van de intellectuele opstandigheid binnen de Belgische Werkliedenpartij door de vele geschoolde jonge arbeiders en studenten die er bij aangesloten waren. Zij botsten regelmatig met de oudere partijbonzen die praktische medewerkers wilden. Dé exponent van die vaak uit de bourgeoisie afkomstige jongeren was de Antwerpenaar Hendrik De Man, die te Gent studeerde. Met Hippoliet Vandemeulebroucke en de latere minister Désiré Bouchery (1888-1944) vormde hij de Gentse Socialistische Jonge Wacht om tot de links-marxistische vleugel van de socialistische partij. De SJW zette scholing voor de leden op, maar hamerde ook steeds op arbeidersopvoeding [10]. In Gent leek het anarchisme onder de Jonge Wachters opnieuw enige respons te krijgen. In de krant Vooruit werd toen ook geregeld van leer getrokken tegen het anarchisme en in het bijzonder tegen Ferdinand Domela Nieuwenhuis, die in zijn blad De Vrije Socialist het Gentse socialisme en Anseele niet spaarde. In Gent radicaliseerde de SJW verder. In 1905 organiseerde de SJW er een debat tussen De Man en een anarchist, hoewel dat jaar ook de SJW’er Prosper Plasschaert omwille van zijn anarchisme uit de partij werd gezet. De Man was zelf lid van de studentenbond Ter Waarheid. In deze afscheuring van het liberale ’t Zal Wel Gaan waren diverse progressieve strekkingen vertegenwoordigd, gaande van anarchisme tot De Mans marxisme, gecombineerd met een radicaal flamingantisme [11].

De Vlaamse vleugel van de Socialistische Jonge Wacht vormde vanaf 1 januari 1906 een ‘Vlaamsche federatie van SJW’, die te Gent zetelde. Alleen de SJW van de provincie Antwerpen (met uitzondering van Mechelen) trad niet toe en vormde een eigen federatie. Voor de SJW was Gent een krachtcentrum, waarvan een dynamiek uitging. Het blad De Waarheid deed dienst als spreekbuis. De Mans antimilitaristische stellingen werden op het Vlaamse SJW-congres van 21 januari 1906 volledig én unaniem aanvaard, waarna ook het nationale SJW-congres in mei 1907 deze standpunten overnam [12]. Na 1906 verzwakte de Socialistische Jonge Wacht door partijrepressie, door interne tegenstellingen en doordat Hendrik De Man in Leipzig ging studeren. In januari 1908 lanceerde de Vlaamse SJW nog tevergeefs een nieuw blad onder redactie van De Man – De Jonge Socialist – dat reeds in november 1908 ten onder ging, hoewel het ook aanvaard werd door de Antwerpse SJW. De oorzaken van deze mislukking waren dat de Volksdrukkerij de periodiek nog langer weigerde te drukken, dat De Man ontslag nam en de slechte financiële situatie. In dezelfde periode werd ook de vormingswerking met een scheef oog bekeken door de partijleiding. In 1909 beleefde de SJW een absoluut dieptepunt, maar tegen 1911 herstelde de jongerengroepering zich. Toch presteerde de SJW tot 1914 niet veel meer en het kampte ook met een onduidelijk profiel. Nochtans drong De Man sinds 1908 aan op een centralisatie van de SJW naar het voorbeeld van Duitse, Oostenrijkse en Zweedse socialistische jeugdorganisaties en hoewel dit aanvaard werd op het nationale congres van 1908, werd dit voor de Eerste Wereldoorlog niet gerealiseerd. Het bleef dus bij regionaal centralisme, waarbij Gent in Nederlandstalig België het overwicht had [13].

De socialisten waren, behoudens enkele uitzonderingen, niet antiflamingantisch. Ook Anseele verdedigde in het parlement bijna iedere taalwet, hoewel hij wel meende dat de kennis der Franse taal nodig was om de arbeiders uit hun sociale minderwaardigheidspositie te halen. De meeste Vlaamse socialisten oordeelden dat de democratie de taalgrieven zou oplossen en dat de taalstrijd verloren moeite was. Bovendien zagen deze internationalisten iedere nationale beweging als een hinderpaal voor de arbeidersemancipatie. Daarnaast wantrouwden zij de Vlaamse Beweging vanwege het burgerlijk-klerikale karakter. Pas na 1894, toen in het parlement de eerste taalwetten opdoken, stelden de Vlaamse socialisten zich flamingantisch op. Ondanks Anseeles aarzelingen en het verzet der Waalse socialisten verklaarde het Vlaamse socialisme zich nu voorstander van de vernederlandsing der Gentse universiteit [14].

De eerste parlementsverkiezingen op basis van het algemeen meervoudig stemrecht in oktober 1894 brachten een electorale tegenstelling aan het licht tussen een klerikaal Vlaanderen en een antiklerikaal Wallonië. Al kort na deze verkiezingen waarschuwde August Dewinne, redacteur van Le Peuple sinds 1891, dat de Vlaamse kwestie geen splijtzwam mocht worden binnen de Belgische Werkliedenpartij. De Vlaamse en Waalse arbeiders moesten hun gezamenlijke vijand, de kapitalistische burgerij, samen bestrijden. De politieke tegenstrevers der socialisten, zowel in Vlaanderen als in Wallonië, gebruikten de taalkwestie om er electoraal garen bij te spinnen. In Luik lokten wallinganten zo relletjes uit op meetings van Anseele, die in 1894 in die stad opkwam. In de gespannen communautaire sfeer was een Nederlands klinkende naam al voldoende om in Luik als volksvreemd beschouwd te worden [15].

Het Vlaamse socialisme stond nochtans voorzichtig positief tegenover het flamingantisme, maar in Gent, de bakermat van het Vlaamse socialisme, kwam het tot een botsing: Anseele haalde regelmatig fel uit naar de Vlaamse Beweging, waarvan hij zich een liberaal-conservatief beeld gevormd had. Zeker in Gent behoorden de vrijzinnige flaminganten tot het liberalisme en hun weekblad Het Volksbelang was uitgesproken antisocialistisch. Het gevolg was dat het dagblad Vooruit vaak het flamingantisme aanviel [16]. Toch was er tijdelijk toenadering tussen de beide strekkingen door onder meer debatten tussen flaminganten en socialisten en doordat het flamingantisme een sterkere sociale inslag kreeg met de vertogen van professor Julius Mac Leod en Lodewijk De Raet, die op de sociaal-economische betekenis van de taalkwestie wezen.

Hendrik De Man claimde in zijn autobiografie [17] Edward Anseele tot het flamingantisme te hebben bekeerd via de debatten in de Vooruit met de studentenkring Ter Waarheid, waar De Man toe behoorde. Ook Leo Picard, eveneens lid van Ter Waarheid, onderschreef dit in zijn werk over de Vlaamse Beweging [18]. De toen in zwang zijnde sociale gedachte werkte krachtig door in Ter Waarheid. In mei 1905 kwam het tot een rustig debat van 2 avonden in het socialistische ‘Ons Huis’ tussen de Gentse partijleiding en leden van Ter Waarheid. Het resultaat was een slotmotie van enerzijds Anseele en Aimé Bogaerts namens de socialisten en anderzijds De Man, Jules Van Roy en Oscar De Gruyter voor Ter Waarheid. Hierin pleitten zij voor verplicht lager onderwijs, arbeidswetgeving, gelijkberechting der beide landstalen en vernederlandsing der universiteit. Daarmee was men tot een principieel akkoord gekomen. Picard ging wat al te kort door de bocht toen hij beweerde dat Anseele als gevolg van dit debat uit 1905 in 1911 het wetsontwerp ter vernederlandsing ondertekende. Er was hoogstens sprake van toenadering, want de oude ruzies tussen flaminganten en socialisten bleven sluimeren. In 1912 vond er bijvoorbeeld een felle strijd plaats tussen Anseele en de flamingant Alfons Sevens, die in 1911 en 1912 te Gent opkwam met de kieslijst De Vlaamsche Blok, waarbij alle gemeenschappelijke standpunten waren verdwenen [19]. Sevens beschuldigde Anseele onder meer in een schotschrift dat deze het arme Vlaamse volk niet aanzag als doel, maar wel als middel tot zelfverheffing [20].

Zolang de materiële nood der arbeiders zo groot bleef, beschouwde Anseele de taalstrijd als iets van bijkomende orde. De arbeider was immers zo uitgebuit dat hij niet kon genieten van zijn Vlaamse ‘vaderland’. Het patriottisme was dan ook enkel voor de bevoorrechten [21]. Zelfs de herhaalde openbare besprekingen met flaminganten, onder meer met Hippoliet Meert en leden van de studentenkring Ter Waarheid, leverden slechts tijdelijke resultaten op. Weliswaar erkende Anseele steeds het rechtmatige van de Vlaamse eisen, stemden de socialisten mee de taalwetten en was Anseele zelf ondertekenaar van een wetsvoorstel tot vernederlandsing van de Gentse universiteit, toch bleef zijn uitspraak: “Het Vlaamse volk heeft eerst biefstukken en dan pas een universiteit nodig” voortleven. Die houding moet begrepen worden vanuit het pauperisme van het laatste kwart der 19de eeuw. Daarnaast was het flamingantisme natuurlijk ook een geduchte mededinger voor het socialisme [22].

Hoe vaak de socialisten ook biefstukken eisten voor het volk, toch liet de Vlaamse kunst hen niet onverschillig. Ze besteedden continue aandacht aan de Vlaamse cultuur. Ondanks een zekere reserve tegenover de burgerlijke Vlaamse literatoren bewonderde Vooruit mensen als Karel Ledeganck (1805-1847), Hippolyte Van Peene (1811-1864) en Hendrik Conscience (1812-1883). De Gentse socialisten zouden trouwens tijdens de volledige vooroorlogse periode blijven opkomen voor de Vlaamse cultuur, hoewel Vooruit natuurlijk vaak niet te spreken was over het ‘lauwe’ sociale engagement van de Vlaamse Beweging. Bovendien bestond er bij de Gentse socialisten reeds ca. 1885, ongeacht hun soms hevige antiflamingantisme, geen twijfel over de legitimiteit van de taalstrijd. Ook bleken de Gentse socialisten steeds weer niet onverschillig voor het taalverschil, ondanks hun slechte relaties met de Vlaamse Beweging. Toch zou de communautaire rust voor 1914 niet weerkeren in de Belgische Werkliedenpartij [23]. De 2 belangrijke standpunten van de Socialistische Jonge Wacht – het antimilitarisme en het algemeen stemrecht – waren in 1914 niet bereikt. Hendrik De Man, ontwerper van het marxistische programma van de SJW, werd oorlogsvrijwilliger. De eens zo geroemde SJW verdween in de oorlogsmaand augustus van het toneel zonder het minste verzet tegen het aankomende oorlogsdrama, doordat men zich vooral beziggehouden had met de redactie van heilige teksten en programma’s, die onvoldoende gekend waren door de leden [24].

 

Filip Martens

Bron: Bitter Lemon

 


 

 

 

Noten


[1] VAN ISACKER (Karel), Mijn land in de kering 1830-1980. Deel 1: Een ouderwetse wereld: 1830-1914, Kapellen, De Nederlandse Boekhandel, 1980, pp. 174.

[2] VAN GINDERACHTER (Maarten), Vaderland in de Belgische Werkliedenpartij (1885-1914). Sociaal-democratie en nationale identiteit From Below. Een casusstudie van Gent, Brussel en de Borinage, Gent, onuitgegeven doctoraatsverhandeling, UG, 2004, pp. 338-339.

[3] VAN ISACKER (Karel), Mijn land in de kering 1830-1980. Deel 1: Een ouderwetse wereld: 1830-1914, Kapellen, De Nederlandse Boekhandel, 1980, pp. 174-175 en VAN GINDERACHTER (Maarten), Vaderland in de Belgische Werkliedenpartij (1885-1914). Sociaal-democratie en nationale identiteit From Below. Een casusstudie van Gent, Brussel en de Borinage, Gent, onuitgegeven doctoraatsverhandeling, UG, 2004, pp. 359.

[4] DAANE (Marco), De vrijheid nog veroveren: Richard Minne 1891-1965, Amsterdam, Arbeiderspers, 2001, pp. 68.

[5] SEVENS (Alfons), De Vlaamschgezindheid en de Moed van Edward Anseele en van De Bende van Vooruit, Gent, Hemelsoet, 1912, pp. 42 en 47.

[6] VAN ISACKER (Karel), Mijn land in de kering 1830-1980. Deel 1: Een ouderwetse wereld: 1830-1914, Kapellen, De Nederlandse Boekhandel, 1980, pp. 175-176.

[7] VAN GINDERACHTER (Maarten), Vaderland in de Belgische Werkliedenpartij (1885-1914). Sociaal-democratie en nationale identiteit From Below. Een casusstudie van Gent, Brussel en de Borinage, Gent, onuitgegeven doctoraatsverhandeling, UG, 2004, pp. 361, 383-384, 398, 407 en 432-433.

[8] KENIS (Paul), Het leven van Edward Anseele, Gent, De Vlam, 1930, pp. 241, 256 en 246.

[9] VAN ISACKER (Karel), Mijn land in de kering 1830-1980. Deel 1: Een ouderwetse wereld: 1830-1914, Kapellen, De Nederlandse Boekhandel, 1980, pp. 176.

[10] DAANE (Marco), De vrijheid nog veroveren: Richard Minne 1891-1965, Amsterdam, Arbeiderspers, 2001, pp. 64.

[11] MOULAERT (Jan), Rood en zwart: de anarchistische beweging in België, 1880-1914, Leuven, Davidsfonds, 1995, pp. 378.

[12] VANSCHOENBEEK (Guy), Ontstaan, situering en karakterisering van de Socialistische Jonge Wacht 1866-1914: bijdrage tot de geschiedenis van politieke jongerenbewegingen, 2 delen, Gent, onuitgegeven licentiaatsverhandeling, UG, 1978, pp. 107, 123-124 en 163.

[13] DAANE (Marco), De vrijheid nog veroveren: Richard Minne 1891-1965, Amsterdam, Arbeiderspers, 2001, pp. 64 en 79. VANSCHOENBEEK (Guy), Ontstaan, situering en karakterisering van de Socialistische Jonge Wacht 1866-1914: bijdrage tot de geschiedenis van politieke jongerenbewegingen, 2 delen, Gent, onuitgegeven licentiaatsverhandeling, UG, 1978, pp. 126 en 215.

[14] VAN ISACKER (Karel), Mijn land in de kering 1830-1980. Deel 1: Een ouderwetse wereld: 1830-1914, Kapellen, De Nederlandse Boekhandel, 1980, pp. 177.

[15] VAN GINDERACHTER (Maarten), Vaderland in de Belgische Werkliedenpartij (1885-1914). Sociaal-democratie en nationale identiteit From Below. Een casusstudie van Gent, Brussel en de Borinage, Gent, onuitgegeven doctoraatsverhandeling, UG, 2004, pp. 313-314.

[16] PICARD (Leo), Evolutie van de Vlaamse Beweging van 1795 tot 1950, deel 3: De twee oorlogen en later, Antwerpen/Amsterdam, NV Standaard-Boekhandel, 1963, pp. 35.

[17] CLAEYS-VAN HAEGENDOREN (Mieke), Hendrik de Man. Persoon en ideeën, deel 1: Autobiografie, Antwerpen/Amsterdam, Standaard Wetenschappelijke Uitgeverij, 1974, pp. 551.

[18] PICARD (Leo), Evolutie van de Vlaamse Beweging van 1795 tot 1950, deel 3: De twee oorlogen en later, Antwerpen/Amsterdam, NV Standaard-Boekhandel, 1963, pp. 38-39.

[19] PICARD (Leo), Evolutie van de Vlaamse Beweging van 1795 tot 1950, deel 3: De twee oorlogen en later, Antwerpen/Amsterdam, NV Standaard-Boekhandel, 1963, pp. 39.

[20] SEVENS (Alfons), De Vlaamschgezindheid en de Moed van Edward Anseele en van De Bende van Vooruit, Gent, Hemelsoet, 1912, pp. 46.

21] VAN GINDERACHTER (Maarten), Vaderland in de Belgische Werkliedenpartij (1885-1914). Sociaal-democratie en nationale identiteit From Below. Een casusstudie van Gent, Brussel en de Borinage, Gent, onuitgegeven doctoraatsverhandeling, UG, 2004, pp. 408.

[22] KENIS (Paul), Het leven van Edward Anseele, Gent, De Vlam, 1930, pp. 271-272.

[23] VAN GINDERACHTER (Maarten), Vaderland in de Belgische Werkliedenpartij (1885-1914). Sociaal-democratie en nationale identiteit From Below. Een casusstudie van Gent, Brussel en de Borinage, Gent, onuitgegeven doctoraatsverhandeling, UG, 2004, pp. 162-163 en 410.

[24] VANSCHOENBEEK (Guy), Ontstaan, situering en karakterisering van de Socialistische Jonge Wacht 1866-1914: bijdrage tot de geschiedenis van politieke jongerenbewegingen, 2 delen, Gent, onuitgegeven licentiaatsverhandeling, UG, 1978, pp. 166 en 232.

N-SA

  • Over Ons
  • Meedoen
  • This email address is being protected from spambots. You need JavaScript enabled to view it.
  • +32(0)476/39.83.66
  • Inloggen

Info

Web 2.0

Hou het laatste nieuws bij!

RSSFacebookTwitter